www.lasithi-holidays.net

The sunny site of Crete

Home
Terug naar overzicht

Het paleis van Zakros is het, op drie na,  grootste paleis van de Minoische paleizen op Kreta. Het bevond zich op een bijzonder voordelige strategische positie, aan een beschutte baai, en was het middelpunt van een levendig handelsverkeer tussen de landen uit het Oosten (wat we kunnen afleiden uit de vondst van o.a  olifantenhoorns, geglazuurd aardewerk en koper.) Het maakte twee belangrijke bouwfases door; het oude paleis werd gebouwd omstreeks 1900 v. Chr., en de nieuwe in 1600 v. Chr., maar werd helaas vernietigd in 1450 v. Chr. (samen met alle andere paleizen en huizen uit het Minoisch Kreta.) Het paleis was het bestuurlijke, religieuze en commerciële centrum van de stad die rondom het paleis was opgetrokken. Na de verwoesting werd het paleis niet verder opgebouwd, maar zijn grond werd nog wel intensief door landbouwers bewerkt  Diverse graven zijn ontdekt in grotten op de heuvels van de “Dodenvallei” zoals de vallei, die vanaf Epano Zakro tot aan Kato Zakro loopt, heet. De Engelse admiraal Th. Spratt maakte al aantekeningen van de hier gevonden voorwerpen in zijn boek "Travels in Crete" dat rond het midden van de 19e eeuw werd gepubliceerd. Aan het einde van de 19e eeuw voerden de Italiaanse archeologen F. Halbherr en L. Mariani, en de Britse A. Evans een aantal proefonderzoeken uit in dit gebied. Maar het eerste, echt systematische onderzoek vond pas in 1901 plaats en wel door  D.G. Hogarth van de British School of Archaeology, die twee depots en enkele huizen wist op te graven. Helaas zijn deze gedurende de Tweede Wereld Oorlog ernstig beschadigd geraakt. Hogarth kwam dicht in de buurt van het paleis, maar was niet diegene die hem ontdekte en uitgroef. Dit gebeurde pas zestig jaar later en werd geïnstigeerd door de ontdekking van een zwaard en “ashlar” blokken tijdens constructiewerkzaamheden in 1961 én door de gouden sieraden die een lokale boer had gevonden en vervolgens dokter Giamalakis cadeau had gedaan. Deze feiten gaven N.Platon voldoende aanleiding om een diepgravend onderzoek te starten, dat door de Amerikaanse archeologen L. en H. Pomerance werd gefinancierd, en bracht het paleis en de rondomgelegen stad aan het licht. De vondsten van deze opgraving zijn tentoongesteld in het Archeologisch Museum van Heraklion, maar enkele stukken zijn ook in de musea van Sitia en Aghios Nikolaos te bewonderen. De belangrijkste gebouwen van deze opgraving zijn:
Het paleis en de bijgebouwen – deze waren verdeeld over een oppervlakte van 8.000 vierkante meter en het aantal bouwwerken (voor verschillende werkzaamheden) wordt ruwweg geschat op 3000 (inclusief bovenverdiepingen).Het paleis is volgens het basisbouwplan van alle Minoische paleizen opgezet, had een hoofdingang aan de noordkant en een tweede ingang (noordoostelijk) aan het einde van een verharde weg die uitkwam op de haven. Een trappengang leidde naar de noordoostelijke toegangspoort en van hieruit had men doorgang tot de centrale binnenplaats (30 x 12 meter.) Deze binnenplaats was in feite het middelpunt van het gebouw en vermoedelijk vonden talloze religieuze vieringen hier plaats. De binnenplaats werd omgeven door prachtige voorgevels en een zuilengang met schitterende zuilen (die de bovenliggend veranda’s ondersteunden) en aan de noordwestelijke kant was een huisaltaar ingebouwd. De Westelijke vleugel – deze was voornamelijk in gebruik voor religieuze activiteiten. De hoofdingang lag tegenover het altaar op de binnenplaats en had aan weerszijden een kleinere ingang. Het gebouw had een voorkamer, een kamer en een grote feestelijke hypostyle hal (12 x 10 m.) met een peristyle lichtbron en een polythyra (pilaster-en-deur gedeelte), die toegang gaf tot de “eetzaal”; zo genoemd vanwege de vondst van enkele amfora’s en kruiken. Een heiligdom, dat bestond uit 11 kamers waarvan sommige ook inhammen hadden, besloeg het westelijke gedeelte van de vleugel.  Het belangrijkste onderdeel van het heiligdom bestond uit een kleine kamer (waartoe het publiek geen toegang had) waar op een hoge tafel de verschillende rituele voorwerpen stonden uitgestald. Ernaast bevond zich een ondergronds bassin en aan de zuidkant lagen drie reservekamertjes waarin een stenenslijperij, een opslagruimte en de schatkamer waren gevestigd. Deze schatkamer is de enige uit de Minoische geschiedenis die niet werd geplunderd en bevat een schitterende serie rituele vazen. Iets verder naar het westen bevond zich het archief, waarin de zogenaamde Lineaire A tabletten in kisten op aardewerken planken lagen opgestapeld. In een latere bouwfase werden aan deze vleugel nog extra werkruimtes toegevoegd.
De Oostelijke Vleugel – deze hield de koninklijke verblijven en het bestuurlijke gedeelte in. Het “Koninginnen” verblijf had een polythyron (pilaster-en-deur gedeelte) en die van de Koning was het allergrootste vertrek in deze vleugel. Vanuit de centrale binnenplaats leidde een polythyron naar de “hal van het waterreservoir”. Deze hal had in het midden een ondergronds, rond waterreservoir (doorsnede van 7 meter) met een muurtje dat ondersteuning gaf aan een vijftal zuilen.  Twee andere waterinstallaties van dit type werden ook in deze vleugel gevonden. De Zuidelijke Vleugel – deze was een verzameling van winkels en werkruimtes waar kleine rituele voorwerpen, bergkristal en parfumoliën werden geproduceerd. De Noordelijke Vleugel - In deze vleugel bevond zich een trappengang die leidde naar de eerste verdieping waar de “Koninklijke Winkels” waren gevestigd. Hier bevond zich ook een badruimte met een aangrenzend ruim vertrek (bereikbaar via een gang) dat een soort keuken was en de eetzaal op de bovenste verdieping van eten voorzag. De stad was rondom het paleis gebouwd en de gebouwen die het dicht bij het paleis stonden waren eigenlijk, hoewel onderdeel van het paleis, zelfstandig opererende verblijven. Het centrale gedeelte van de stad had een ingewikkeld netwerk van kleine geplaveide straten waarin een aantal woningblokken stond. Deze woningblokken bestonden uit 2-4 huizen, met meerdere vertrekken, die twee of drie verdiepingen telden.